Diagnostiek

Anamnese 

  • Aard en ernst van de klachten (hoest, piepende ademhaling, dyspneu, nachtelijke klachten)
  • Mate van hinder klachten (frequentie klachten, beperkingen) 
  • Roken (heden, verleden, pakjaren, evt drugsgebruik)
  • Reactie op prikkels (specifiek en aspecifiek)
  • Aanwezigheid allergieen
  • Voorkomen van COPD in de familie
  • Ongewenst gewichtsverlies.
  • Invloed op functioneren overdag:
    • Psychosociale factoren (angst, dyspneu, depressie)
    • Sociale situatie,
    • Invloed op hobby’s, lichamelijke inspanning.
    • Arbeidssituatie (beroep, ziekteverzuim).
  • Comorbiditeit (diabetes, aandoeningen bewegingsapparaat, hart- en vaatziekten).

Lichamelijk onderzoek

  • Inspectie ademhaling (lange uitademing), vorm thorax
  • Auscultatie hart en longen
  • Gewicht, lengte, BMI
  • Evt aanvullend lichamelijk onderzoek, zoals bij vermoeden op hartfalen.

Aanvullend onderzoek

  • X-thorax
  • Spirometrie. 

Aanvullend onderzoek in de 2e lijn 

  • bepaling van VC en TLC meting van de diffusie capaciteit
  • Histamine (of metacholine) provocatietest, bij blijvende twijfel over aanwezigheid van astma
  • HR-CT-scan bij vermoeden van bronchiectasieën.

Diagnose

De diagnose COPD wordt gesteld bij patiënten ouder dan 40 jaar met klachten van dyspneu en/of hoesten, al of niet met slijm opgeven, in combinatie met een relevante rookhistorie (> 20 jaar roken of > 15 pakjaren) én een Z-score na bronchusverwijding van lager dan -1,64.

COPD is uitgesloten bij een normale FEV1/ FVC ratio naar gestandaardiseerde bronchusverwijding.  

Stroomschema interpretatie spirometrie

 

Diagnostische fase

Monitoring fase*

Gebruik van eigen luchtwegmedicatie

Vóór de test gedurende 4 uur geen kortwerkende en gedurende 12 - 48 uur (afhankelijk van de werkingsduur) geen langwerkende luchtwegverwijder gebruiken

Eigen luchtwegmedicatie kan gecontinueerd worden

Gestandaardiseerde bronchusverwijding

Altijd geïndiceerd

Niet geïndiceerd behalve bij:

  • discrepantie van klachten en spirometrie-uitslagen;
  • afwijkende FEV1/FVC-ratio bijvoorbeeld omdat er twijfel is aan de diagnose;
  • bij gerede twijfel over gebruik van de eigen luchtwegmedicatie

Procedure

  • Test (blazen flowvolumecurve) volgens internationaal geaccepteerde aanbevelingen
  • Dien gestandaardiseerde bronchusverwijding toe (salbutamol 100 microg via dosisaerosol en voorzetkamer in 4 afzonderlijke inhalaties met interval van 30 seconden)
  • Test opnieuw na 15 minuten

Test (blazen flowvolumecurve) volgens internationaal geaccepteerde aanbevelingen

Interpretatie

  • Geen obstructie: normale FEV1/FVC-ratio (≥ 5e percentiel van referentiepopulatie) na bronchusverwijding; dit sluit COPD uit, maar sluit astma niet uit
  • Persisterende obstructie: afwijkende FEV1/FVC-ratio na bronchusverwijding; dit is een aanwijzing voor COPD, maar sluit astma niet uit
  • Reversibiliteit: FEV1-toename ten opzichte van de waarde vóór bronchusverwijding met ³ 12% én ³ 200 ml); dit wijst op astma (ook bij een normale FEV1/FVC-ratio), maar sluit COPD niet uit
  • Fysiologische daling: daling van FEV1 over ten minste 3 jaar (≥ 3 metingen) met gemiddeld 35 ml/jaar of minder
  • Bij niet-fysiologische daling: ga oorzaak na en pas beleid aan

COPD louter op basis van andere risicofactoren zoals chronische blootstelling aan fijnstof of aan andere stoffen in arbeidsomstandigheden komt zelden voor; hiervoor is verwijzing naar de longarts en als het arbeidsomstandigheden betreft naar de bedrijfsarts aangewezen.

Overigens zou de diagnose COPD pas gesteld moeten worden na een tweede spirometrie, wanneer de eerste spirometrie maar net aan een obstructie laat zien.