Assessment bij COPD

Na het stellen van de diagnose COPD moeten patiënt en diens ziekte verder in beeld gebracht worden.
Denk daarbij aan het uitdiepen van anamnese, klachten, beperkingen in het dagelijks leven, kwaliteit van leven, 
voedingstoestand, exacerbaties en comorbiditeit. Bepaal FEV1 en BMI en neem de CCQ en MRC-vragenlijsten af.

Redenen om in deze fase te verwijzen naar de longarts zijn o.a.:

  • COPD op jonge leeftijd, arbitrair ≤ 50 jaar;
  • FEV1 < 50% predicted of < 1,5 l absoluut; 
  • Verdenking op andere/bijkomende oorzaak van de klachten;
  • Nooit gerookt en geen onderbehandeld astma;
  • Ongewenst gewichtsverlies > 5%/maand, > 10%/6 maand, of BMI <21, (VVMi < 17 (man), < 15 (vrouw), zonder andere verklaring); 
  • Verdenking hypoxemie: bijvoorbeeld perifere zuurstofsaturatie ≤ 92%, desaturatie bij inspanning > 3% of ≤ 90% absoluut. 

Ook verderop in het ziektebeloop dient het assessment herhaald te worden. Hierbij kunnen opnieuw redenen duidelijk worden om te verwijzen:

  • Persisterend forse klachten en problemen kwaliteit van leven gerelateerd aan COPD (bijvoorbeeld CCQ ≥ 2, MRC ≥ 3);
  • Ernstige persisterende fysiologische beperking, 
  • FEV1 < 50% predicted, of < 1,5 l absoluut. Snel progressief beloop (toename dyspnoe, afname inspanningsvermogen), ook bij stabiele FEV1;
  • Progressief longfunctieverlies (bijvoorbeeld FEV1 > 150 ml/jaar) over meerdere jaren; 
  • Mogelijke indicatie voor zuurstofbehandeling;
  • Mogelijke indicatie voor longrevalidatie;
  • Matig tot ernstige adaptatieproblemen;
  • Exacerbatie ≥ 2 afgelopen jaar waarvoor orale corticosteroïden. 

Ook de patiënt zelf kan het belangrijk vinden dat er een nadere analyse wordt verricht.